Biobrandstoffendoelstelling NL sneller naar 10%

Staatssecretaris Atsma heeft op 8 maart 2012 de Tweede Kamer per brief laten weten hoe eerder aangenomen moties gaan worden uitgevoerd. Zo wordt de jaarlijkse verhoging van het verkooppercentage biotransportbrandstoffen versneld, zodat de 10% die voor 2020 is voorzien reeds in 2016 van kracht wordt. De verkoopplicht van alle soorten biotransportbrandstoffen voor 2012 komt hierdoor op 5,25% (was 4,5%).

Tabel 1 geeft aan hoe de percentages de komende jaren zullen oplopen.

Het invoeren van een aparte doelstelling voor zogenoemde biobrandstoffen van de tweede generatie, waartoe bij motie van Leegte was opgeroepen, is op basis van de RED niet mogelijk, aldus Atsma in zijn brief. Atsma geeft aan mogelijkheden tot samenwerking met het Rotterdam Climate Initiative te onderzoeken bij de overgang naar wat betere biobrandstoffen worden genoemd.
Dubbeltelling dierlijk vet categorie 3 In 2009 is in Nederland de regeling dubbeltelling biobrandstoffen geïntroduceerd als praktische invulling van de Richtlijn Hernieuwbare Energie. Nederland liep daarmee op de implementatie van de Richtlijn vooruit en was het eerste land in Europa dat een dergelijke regeling introduceerde. Het benutten van afvalstoffen en residuen voor de productie van biobrandstoffen kreeg hiermee de juiste steun en dit heeft de innovatie in Nederland bevorderd, aldus de overheid.
Het dubbeltellen van biobrandstoffen gemaakt van afvalstoffen en residuen zal ook in de toekomst een belangrijk aspect van het biobrandstoffenbeleid in Nederland zijn. Echter, zo stelt de Kamerbrief, in de praktijk is gebleken dat niet alle reststromen die onder de regeling dubbeltelling biobrandstoffen vallen ook daadwerkelijk afvalstoffen of residuen zijn. Concreet gaat het dan om dierlijke vetten van categorie III die in bepaalde gevallen voor menselijke consumptie geschikt zijn (maar hiervoor niet mogen worden aangewend). De overheid is van mening dat dit type vet bijvoorbeeld door de oleochemische industrie als grondstof voor zeepproducten kan worden ingezet. Daarnaast zijn ook toepassingen als diervoeder mogelijk. Op basis daarvan concludeert het kabinet dat dierlijk vet van categorie III geen afval of residu is, maar een co-product. Als een hoogwaardiger toepassing voor dit type vet mogelijk is, moet geconcludeerd worden dat de regeling dubbeltelling biobrandstoffen op dat punt haar doel voorbijschiet en voor een onbedoelde marktverstoring zorgt.
Dit overwegende heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu besloten de regeling dubbeltelling biobrandstoffen daaromtrent aan te passen en biobrandstoffen gemaakt van dierlijk vet van categorie III niet meer dubbel te tellen. Vanwege lopende contracten tussen biodieselproducenten en brandstofleveranciers acht de staatssecretaris het redelijk de aanpassing van de regeling per 1 januari 2013 in werking te laten treden.
Een aspect dat bij deze afweging ook is meegenomen is de situatie in andere landen van de EU. Er is momenteel overleg over deze kwestie wat ertoe leidt dat een groep landen eenzelfde afweging maakt door een onderscheid te maken tussen de verschillende categorieën dierlijke vetten. Andere landen nemen in overweging hetzelfde te doen.
Dubbeltelling frituurolie blijft Op basis van de Kamerbrief werd door een aantal media (waaronder Telegraaf, Boerderij, Nu.nl, met bronverwijzing naar ANP) geconcludeerd dat gebruikte frituurolie per 1-1-2013 niet meer leidt tot dubbeltelling. Deze conclusie is onjuist. Het desbetreffende deel van de Kamerbrief (onder de kop ‘3. Biobrandstoffen gemaakt uit dierlijk vet’) gaat uitsluitend in op de wijzigingen voor dubbeltelling van biobrandstoffen uit dierlijk vet. Voor andere grondstoffen die leiden tot dubbeltelling, zoals gebruikte frituurolie of ligno-cellulose, wordt in de brief geen voornemen tot wijziging kenbaar gemaakt.
Klik
hier voor de tekst van de brief aan de Tweede Kamer.