Bioraffinage in Zuid-Holland financieel haalbaar

Kenniscentrum Plantenstoffen Er is in de provincie Zuid-Holland ruimte voor de vestiging van twee tot drie bioraffinagefaciliteiten voor de verwerking van reststromen uit de tuinbouw. Die conclusie trekt Aldert van der Kooij van advies- en ingenieursbureau Royal HaskoningDHV in een studie, die het bedrijf in opdracht van het Kenniscentrum Plantenstoffen en Biobase Westland heeft opgesteld. Binnenkort verschijnt het rapport met businessplan, aldus Kenniscentrum Plantenstoffen.

“Met elkaar produceren we jaarlijks heel wat biomassa in de provincie Zuid-Holland. Niet alleen in de bollenteelt en glastuinbouw, maar ook in de vasteplantensector. In het onderzoek hebben we vastgesteld dat paprika’s en tomaten het meeste afval opleveren. In totaal gaat het in Zuid-Holland op jaarbasis om 230.000 tot 240.000 ton aan gewasresten. Die hoeveelheid komt vrij als plantenresten bij het ruimen van de kassen na de teelt en als afgekeurde producten bij de telers, handelshuizen en veiling”, zegt Van der Kooij.

Behalve gewasresten uit de tuinbouw zijn ook de vers gemaaide grassen van wegbermen een interessante stroom. Als die hoeveelheid grassen meegerekend wordt, zijn er in de provincie jaarlijks 285.000 ton aan gewasresten. Al die stoffen kunnen tot waarde worden gebracht. Van der Kooij: “Het Kenniscentrum Plantenstoffen richt zich weliswaar primair op reststromen uit de tuinbouw, maar natuurlijk geldt: hoe groter het volume, hoe aantrekkelijker het wordt om een raffinage-installatie te plaatsen.”

De reststromen kunnen volgens het businessplan het beste verwerkt worden in twee tot drie installaties, stelt Royal HaskoningDHV in het onderzoek. Onder meer de papier- en kartonindustrie is een sector die de verwerkte stromen kan gebruiken voor haar eindproduct. Met de komst van de installaties is een investering gemoeid van 33 tot 45 miljoen euro. Een bioraffinage-unit kan 5 ton afval per uur aan en draait ongeveer 8.000 uur per jaar. Daarmee komt de verwerking per unit op 40.000 ton aan resten.

“Er zijn meerdere installaties nodig, omdat niet alle restmaterialen op dezelfde manier verwerkt kunnen worden.  De bouw daarvan is rendabel, maar we moeten het proces wel optimaliseren. In de teelt zie je dat het afval per seizoen verschilt, met name in november komt veel vrij. Het is echter onmogelijk om tijdens een piek alles te verwerken.  De resten moeten geconserveerd worden op een dusdanige manier dat de cellulose, suikers en eiwitten behouden blijven. Dit zijn belangrijke halffabricaten uit de reststromen.”

Met de studie willen het Kenniscentrum Plantenstoffen en Biobase Westland enthousiasme creëren onder mogelijke investeerders. Er is wel een aandachtspunt, zegt Van der Kooij. “De halffabricaten moeten concurreren met de gangbare stoffen, zoals suiker. De prijzen van suiker, een belangrijke grondstof voor veel eindproducten, liggen nu  nog vast. Als de Nederlandse suikerquota vrijvallen, dan verwachten we een prijsdaling. We hebben daarom ook naar de wereldprijzen gekeken en zien dan dat het risico toeneemt. Om de risico’s te beperken is het daarom beter voorlopig te investeren in installaties die eiwitten en vezels voor de papierindustrie produceren. In een later stadium kunnen die installaties nog uitgebreid worden met een eenheid om suiker daaruit te produceren.”

Kijk voor meer informatie op www.plantenstoffen.nl.

Door: Kenniscentrum Plantenstoffen