Nieuws
Agenda

Ruimte voor 10 miljoen ton extra Nederlandse biogrondstoffen in 2030

Nederland kan in 2030 over zo’n 10 miljoen ton extra biogrondstoffen beschikken. Dit blijkt uit de Routekaart Nationale Biogrondstoffen die is opgesteld naar aanleiding van het Klimaatakkoord. Deze Routekaart is 25 juni aangeboden aan de minister van LNV.

Tijdens het opstellen van het Klimaatakkoord bleek dat meerdere klimaattafels biogrondstoffen inzetten om tot een klimaatneutraal energieverbruik te komen. Om na te gaan of Nederland kan gaan voorzien in haar eigen behoefte is de Routekaart Nationale Biogrondstoffen opgesteld door de Stuurgroep Nationale Biomassa. In deze stuurgroep zijn het ministerie van LNV, FNLI, LTO, Natuur en Milieu, Unie van Waterschappen, VBNE, TKI-BBE en TKI Agri & Food vertegenwoordigd.

Uit de inventarisatie blijkt dat Nederland over tien jaar over zo’n 10 miljoen ton extra biogrondstoffen kan beschikken. Daarbij spelen efficiëntere teeltmethodes, efficiënter gebruik van bestaande biogrondstofstromen en door betere benutting van reststromen. De opstellers gingen daarbij uit van twee uitgangspunten:

  • Biogrondstoffen moeten duurzaam zijn. Ze mogen niet leiden tot achteruitgang van de bodemkwaliteit en verlies van biodiversiteit of natuur. Bij voorkeur dragen ze bij aan herstel daarvan. Daarnaast mag de inzet van biogrondstoffen voor materialen of energie niet ten koste gaan van de productie van voedsel of veevoer en moet inzet van biogrondstoffen voor materialen of energie leiden tot een significante CO2-reductie ten opzichte van de fossiele variant.
  • Cascadering. Om optimaal bij te dragen aan broeikasgasreductie moeten biogrondstoffen zo hoogwaardig mogelijk ingezet worden, bij voorkeur in lang houdbare of recyclebare materialen waardoor CO2 opgeslagen blijft. Het hoogste financiële rendement is echter niet automatisch de toepassing met de meest langdurige CO2-opslag. Beleid kan bijdragen aan een zo hoogwaardig mogelijke toepassing. Om hoogwaardige toepassing te realiseren moet er een stabiele vraag zijn. Zonder vraag komt er ook geen extra aanbod van biogrondstoffen. Wanneer hoogwaardige toepassingen (nog) niet mogelijk zijn, kan een laagwaardiger benutting wel bijdragen aan CO2-reductie.

De opstellers hebben voor koolhydraten, eiwitten, vezels en organische stof mogelijke routes voor een opbrengstverhoging opgesteld:

  • Eiwitten. Betere benutting van het grasland en van het geoogste gras kan ruimte creëren voor andere teelt, dan wel natuur. In beide gevallen leidt dat tot meer biogrondstoffen. Een keuze kan zijn de ruimte te benutten voor eiwitteelt in Nederland, om daarmee de importafhankelijkheid te verminderen en de footprint van Nederland te verkleinen. Ook andere keuzes zijn verdedigbaar.
  • Koolhydraten. Vrijgekomen land kan qua opbrengst aan biogrondstoffen en reductie van CO2 het best benut worden voor teelt van bieten in combinatie met andere gewassen, bijvoorbeeld mais en zetmeelaardappelen. Voor een groene chemie zijn grondstoffen nodig. Dat vereist een samenwerking tussen veehouders, akkerbouwers, verwerkende industrie en eindproducenten.
  • Vezels. Veel regionale reststromen (zoals GFT en groenafval) bevatten vezels. Deze kunnen benut worden voor productie van verpakkingsmaterialen en bouwmaterialen maar zijn ook een belangrijke component in de bodem. Verstandig gebruik waarbij biogas een restproduct is, kan bijdragen aan nieuwe economische activiteiten.
  • Mest en organische stof. Mest is van belang voor de bodem, maar de benutting is nu niet altijd optimaal. Het is nuttig om uit een deel van de mest eerst biogas te winnen, waarna het digestaat als bodemverbeteraar kan ingezet worden. Dit vraagt een nieuwe logistiek, zeker om mest dagvers en kleinschalig te vergisten.

De opstellers doen een aantal aanbevelingen aan de overheid en het bedrijfsleven. Op basis van die aanbevelingen kan een plan van aanpak of een agenda opgesteld worden. Op relatief korte termijn kan al het een en ander op gang komen, bijvoorbeeld:

  • Mestverwaarding. Meer biogas is nodig voor de energietransitie. Mest is daarbij de grootste bron. Kleinschalige (boerderijschaal), regionale en centrale vergisting zijn nodig om voor elk type mest een optimale verwerking mogelijk te maken. Daarvoor is goede logistiek nodig. De routekaart doet een aantal suggesties voor financiering.
  • Raffinage van veevoer en gras. Betere benutting van de eiwitten die we produceren of invoeren heeft veel voordelen. De raffinagetechnologie is aanwezig, maar pilots en verdere uitrol verdienen ondersteuning. Dit sluit ook aan bij de kringlooplandbouw: minder import van veevoer maakt het beter mogelijk om mineralen binnen de landbouw te houden (fosfaat, stikstof en ook organisch stof). Voordelen zijn daarnaast dat het landgebruik efficiënter is, en dat er biogrondstoffen beschikbaar komen voor andere toepassingen.

Meer tijd en meer discussie zijn nodig voor:

  • Keuzes rondom landgebruik. Ook met de huidige omvang van de veestapel is het mogelijk land vrij te spelen voor andere bestemmingen. Het is van belang dat de overheid duidelijk maakt welke bestemmingen gewenst zijn en welke prioriteit er is voor CO2-reductie, vermindering van importafhankelijkheid dan wel nieuwe natuur. De overheid kan in lijn met de prioriteiten de keuzes van agrariërs ondersteunen.
  • Samenwerking tussen sectoren. Bedrijven in verschillende sectoren (o.a. agro, voeding, chemie, energie) moeten daadwerkelijk in gesprek gaan met elkaar en met de overheid, opdat gezamenlijk commitment mogelijk wordt.
  • Vezels. De decentrale overheden kunnen bedrijven uitnodigen tot betere verwaarding van reststromen te komen via aanbestedingsprocedures. Ze kunnen daarnaast bijdragen aan een groter aanbod door aanplant van bomen en vezelhoudende gewassen in openbare ruimtes. Voor betere benutting zijn er op kleine schaal goede initiatieven, maar technologieontwikkeling is nodig. De rijksoverheid kan kennis coördineren.

Meer samenwerking in EU-context is nodig voor de aanpak van CO2-reductie in de landbouw en beloning van vastlegging van CO2. Ook marktontwikkeling voor biobased materialen en grondstoffen moet in EU-verband worden opgepakt.

De routekaart dient als basis voor een plan van aanpak dat ondernemers perspectief geeft en tegelijkertijd positief uitpakt voor bodem, natuur en biodiversiteit. Een goed plan kan het draagvlak voor biogrondstoffen versterken. Het is dan nuttig om stakeholders zoals bedrijven, kennisinstellingen en NGO’s bij plannen en uitvoering te betrekken.

Meer informatie: