Log in het BBE netwerk

Accountgegevens

Linkedin

De onderstaande tekst komt uit ‘Bioraffinage, Naar een optimale verwaarding van biomassa’ van Bert Annevelink en Paulien Harmsen.

Gewassen met een vrucht, knol of wortel

Deze gewassen hebben een vrucht, knol of wortel met een hoge concentratie aan suiker, zetmeel, olie of eiwit en relatief weinig water. Voorbeelden zijn granen, zaden, aardappels en suikerbieten. Bovengenoemde componenten vormen het hoofdproduct van de plant en hebben de volgende kenmerken:

  • Suiker (sucrose): dient als voedselreserve voor de plant en bestaat uit een glucose- en fructose molecuul (dissaccharide). Door de chemische structuur is sucrose zeer snel verteerbaar. Gewassen met veel sucrose zijn suikerbiet en rietsuiker.
  • Zetmeel: dient als voedselreserve voor de plant. Het is een polymeer van glucose moleculen (C6-suiker) en is goed afbreekbaar of verteerbaar. Gewassen met veel zetmeel zijn aardappel, tarwe en maïs.
  • Olie: dient als voedselreserve voor de plant en bevindt zich in vruchten (zaden). De olie bestaat uit onverzadigde vetzuren. Gewassen die veel olie bevatten zijn koolzaad, zonnebloem, soja en oliepalm.
  • Eiwit: speelt een belangrijke rol in functie van cellen en kan als voedselreserve dienen voor de plant. Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren (chemische verbindingen met twee of soms meer functionele groepen). Gewassen met eiwitrijke zaden zijn o.a. erwten, linzen en bonen. Ook het uitpersen van zonnebloem- en koolzaad geeft als nevenstroom een zeer eiwitrijke perskoek.

Vruchten, knollen en wortels kunnen goed worden bewaard. Door de hoge concentratie aan waardevolle component in vruchten, knollen en wortels kost het relatief weinig moeite om het hoofdproduct te scheiden van de minder bruikbare delen van de plant. Daarnaast zijn het delen van de plant die vaak ook als voedsel dienen.
Dit type biomassa wordt veelal verwerkt in conventionele bioraffinagesystemen. Suikers (sucrose), zetmeel, oliën en eiwitten worden traditioneel gebruikt voor de productie van levensmiddelen of veevoer, maar zijn ook geschikt als basis voor (nieuwe) biobased producten. Voorbeelden zijn de fermentatie van suikers tot bioethanol of chemicaliën, olie voor
de productie van zeep, verven, of biodiesel, en eiwitten die na hydrolyse worden toegevoegd als essentiële aminozuren aan veevoer of die dienen als grondstof voor de productie van chemicaliën.

Groene biomassa

Groene gewassen zoals bepaalde groentes (sla) en vers gras worden groene biomassa genoemd. Ook reststromen bladeren en stengels) met een veel lagere waarde dan vrucht-, knol- of wortelgewassen vallen onder deze categorie (bijvoorbeeld bietenloof). Deze biomassa bestaat over het algemeen voornamelijk uit cellulose en hemicellulose, en wordt gekenmerkt door een hoog gehalte aan water.
Groene biomassa is erg nat en bederfelijk, en kan moeilijker worden bewaard. Het transport is relatief duur en daarom moet verwerking decentraal plaatsvinden. Gewasresten worden op het moment niet volledig benut. Vaak worden ze ondergeploegd om de bodemstructuur van de akker te verbeteren. Een andere mogelijkheid is het verwerken van de bladeren tot veevoer. De bladeren bevatten een relatief groot deel aan eiwitten die afgebroken kunnen worden tot (essentiële) aminozuren. Daarnaast kunnen de vezels in de bladeren worden afgebroken tot suikers en lignine. Dit type biomassa wordt verwerkt in groene bioraffinagesystemen

Kenmerken van waardevolle componenten in groene biomassa zijn als volgt:

  • Cellulose: komt voor in de celwand en geeft stevigheid en structuur aan een plant. Cellulose is net als zetmeel een polymeer van glucose moleculen (C6-suiker), maar is door de specifieke rangschikking van de glucose moleculen (kristallijn) zeer moeilijk afbreekbaar.
  • Hemicellulose: komt voor in de celwand van de plant. Het is een polymeer van voornamelijk xylose en arabinose (C5-suikers). De moleculen in hemicellulose zijn zodanig gerangschikt dat een ongeordende structuur wordt verkregen (amorf). Om deze reden is hemicellulose veel makkelijker afbreekbaar dan cellulose.
  • Lignine: komt voor in de celwand van de plant en is een polymeer van aromatische verbindingen. Het vormt samen met hemicellulose een matrix van ongeordend (amorf) materiaal, waarin de geordende cellulose moleculen zijn ingebed. Lignine fungeert als een soort lijm en geeft ook bescherming aan de plant.

 

Houtachtige biomassa

Houtachtige biomassa of lignocellulose is een verzamelnaam die wordt gebruikt als het gaat over plantaardige biomassa die voornamelijk bestaat uit cellulose, hemicellulose en lignine. Voorbeelden van lignocellulosehoudende biomassa zijn hout en stro. Planten en bomen hebben door de specifieke lignocellulose structuur een grote mate van stevigheid en zijn beschermd tegen aanvallen van bacteriën en schimmels. Maar door deze specifieke structuur is het isoleren van waardevolle componenten uit lignocellulose een bewerkelijk proces. In tegenstelling tot de eetbare fractie van een plant is lignocellulose materiaal nog wel ruim beschikbaar.
Lignocellulosehoudende biomassa kan over het algemeen goed worden opgeslagen. Dit type biomassa wordt verwerkt in lignocellulose bioraffinagesystemen.

Links

Terug
GERELATEERD NIEUWS

Biomassa wordt steeds belangrijker als grondstof voor de productie van elektriciteit, warmte, materi...

Certificaten die op basis van NTA 8080 worden afgegeven aan bedrijven die duurzame biomassa producer...

Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) heeft een nieuwe technologie ontwikkeld die de productie va...


Fatal error: Call to undefined function organisations_get_themes_by_name() in /home/users/biobjftp/biobasedeconomy.nl/wp-content/themes/biobasedeconomy/sidebar-bedrijven.php on line 16